NEDERLANDS-INDIE.NL

NEDERLANDS-INDIE

Nederlands-Indië






Officiële taal
Nederlands


Ontstaan
1800


Onafhankelijkheid
 - verklaard
 - erkend
van Nederland
1945
1949


Hoofdstad
Batavia


Staatsvorm
Kroonkolonie van het Koninkrijk der Nederlanden


Staatshoofd
Koning(in) van Nederland, plaatselijk vertegenwoordigd door een Gouverneur-Generaal


Regeringsvorm
Feodaal systeem, met Koning(in) (Gouverneur-Generaal) aan het hoofd. Daaronder kwamen onder andere Residenten en Regenten.


Oppervlakte
1.919.440 km²


Bevolking
60,7 miljoen (1930)


Munteenheid
Nederlands-Indische gulden


Tijdzone
UTC+7 tot UTC+9


Nationale feestdag
31 augustus


Volkslied
Wilhelmus


Nederlands-Indië was een Nederlandse kolonie (zie Nederlandse koloniën) die het gebied omvatte wat nu Indonesië is. De Nederlandse bezittingen stammen van de VOC, die onder meer op Java en in de Molukken een aantal eilanden, steden en gebieden bezat. Na de opheffing van de VOC in 1798 gingen ze op de toenmalige Bataafse Republiek over. Na 1800 werden de gebieden officieel Nederlands-Indië. Deze naam komen we echter in stukken van de VOC in de jaren 1620-1622 al tegen als 'Nederlandsch-India'.
In het Maleis luidde de naam Hindia Belanda; de term "(Ons) Indië" werd met Tanah Hindia weergegeven.




Inhoud


1 De periode tot 1602
2 De periode 1602-1798
3 19e Eeuw
4 20e Eeuw
5 Lijst van Gouverneurs-Generaal van Nederlands-Indië in de twintigste eeuw
6 Literatuur
7 Externe links





//


De periode tot 1602
De Indonesische archipel is al vanaf de prehistorie door mensen bewoond. Voordat de Nederlanders kwamen hadden zich er al vele rijken gevestigd maar zijn er evenveel weer vergaan. Vanaf de 14e eeuw ontstonden er, onder invloed van de Arabieren, moslimstaten die een sterk feodale inslag hadden. De boeren moesten een groot deel van hun oogst, tot maximaal 60%, aan de vorsten afdragen. Door de Indiase en Arabische handelaren werden specerijen uit Indonesië naar Europa verhandeld. De schaarste en de hoge prijzen van deze producten vormden een sterke stimulans voor de eerste Europese ontdekkingsreizen.
De Portugezen waren de eersten die om de Kaap voeren en in 1498 Indië bereikten. In 1511 veroverden ze Malakka waar ze handel dreven met Javanen en Bandanezen die specerijen van de Molukken haalden, waarna de Portugezen zelf naar de Molukken reisden omdat daar de specerijen eenvijfde van de prijs van Malakka kostten. Door hun minachtende houding kregen ze oorlog met de Molukse bevolking waardoor de toevoer van specerijen naar Europa verminderde. Ondertussen was Portugal in 1580 onder de kroon van Spanje gekomen. Spanje was in oorlog met de Nederlanden en legde in 1585 beslag op vijandige schepen in de Portugese havens. De noodzaak voor de Hollanders om zelf op de Indonesische archipel te gaan varen werd hierdoor versterkt.
Pogingen om via de Noordelijke-ijszee Indonesië te ontdekken mislukten, waarna in 1593 drie koopvaarders vanaf Texel voor het eerst, ondanks veel tegenslag, de archipel bereikten. Daarna werden er in verschillende steden compagnieën, de zgn. voorcompagnieën, opgericht die allemaal op Indonesië gingen varen. Van de onderlinge concurrentie profiteerden de Aziatische leveranciers die de prijs opdreven terwijl de Europese markt werd overspoeld met specerijen en de prijs daar daalde. Het waren daarom economische motieven die Johan van Oldenbarnevelt, de raadspensionaris van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, ertoe bracht de kooplieden tot samenwerking te overreden.

De periode 1602-1798
Deze periode was het tijdvak van de VOC, de Verenigde Oostindische Compagnie. Na de oprichting verkregen ze het monopolie om voorbij de Kaap de Goede Hoop handel te drijven in Azië. De compagnie kreeg ook het recht om daar, tot het behoud van het handelsmonopolie, oorlog te voeren en namens de Republiek verdragen te sluiten met inheemse vorsten. De gebieden waar ze waren gevestigd mochten ze ook besturen en rechtspreken. Hierdoor waren ze een soort semi-overheidsbedrijf, formeel maar ook in de praktijk sterk gebonden aan de Staten-Generaal, het algemene regeringsorgaan van de Republiek. Hun octrooi gold voor eenentwintig jaar en moest telkens opnieuw worden verlengd.




Batavia


In 1603 voer de eerste volledig uitgeruste vloot uit, die al spoedig in conflict kwam met de Portugezen. Om de handel georganiseerder te doen lopen werd besloten een centrale leiding in te stellen onder een Gouverneur-Generaal. Tevens werd er naar een centrale plaats gezocht die kon dienen als opslagplaats en als "rendez-vous" voor de schepen. Onder Gouverneur-Generaal J.P. Coen werd het huidige Jakarta uitgekozen en werd die plaats in 1619 omgedoopt in Batavia (Nederlands-Indië).
Ten slotte kreeg de VOC van de aandeelhouders en bewindvoerders één opdracht mee: het verkrijgen van het specerijenmonopolie. De VOC ontwrichtte zo de bestaande insulaire handel, die vooral in handen was van Javaanse, Chinese en Arabische handelaars. Ze monopoliseerde de handel door contracten te sluiten met de lokale vorsten, waarin dit privilege werd vastgelegd. De vorsten hadden op hun beurt weer het monopolie op de handel in het gebied waarover zij heersten.
Om haar monopolie te handhaven richtte de VOC factorijen op en kocht ze de volledige jaaropbrengst in van een bepaalde specerij. Die werd vervolgens in de factorijen bewaard, zodat de markt niet in een keer overspoeld zou worden en de prijs beter kon worden beheerst.
De archipel van het voormalige Nederlands-Indië was niet één homogeen geheel maar bestond uit eilanden en eilandengroepen die onderling zeer van elkaar verschilden. De Nederlanders concentreerden zich in de 17e en 18e eeuw vooral op de Molukken en Java. Op de Midden-Molukken werden voornamelijk kruidnagels geteeld. De VOC sloot, zoals hierboven is beschreven, contracten met de lokale hoofden en betaalden met rijst, textiel en wapens.
Om de productie te beheersen en het smokkelen tegen te gaan concentreerden zij de handel zoveel mogelijk op één eiland. Daarom werden op de andere eilanden de bomen omgezaagd. Daarnaast werd de Dati (familie in uitgebreide zin) verplicht een aantal kruidnagelbomen per jaar te planten en de productie aan de VOC te leveren. Hierdoor waren de leden van de Dati gebonden aan werk en grond.
Op de Banda-eilanden waar vooral nootmuskaat en foeli werd verbouwd, moest de VOC haar gezag met geweld opeisen. De macht van de hoofden was hier niet zo groot, zodat de VOC de handel niet kon beheersen via de lokale elite. In 1609 werden de Bandoes wel traktaten opgelegd maar die werden ontdoken via sluikhandel en smokkelpraktijken.
In 1621 moordde de VOC onder leiding van Gouverneur-Generaal Jan Pieterszoon Coen de Banda-eilanden uit en bracht de overlevenden naar Java, waarna hij op de ontvolkte eilanden de eerste moderne plantages inrichtte, gebaseerd op slavenarbeid. Oud VOC-werknemers mochten de perken (plantages) beheren. Voedsel en slaven werden geleverd door de VOC die op haar beurt het alleenrecht behield om de specerijen voor een lage prijs van de perkeniers te kopen. Door dit optreden van de VOC daalde de productie op de Molukken met 70%. De productiedaling ging gepaard met een consumptiedaling terwijl het hele sociaal-economische systeem was ontwricht. Daarnaast was het sterftecijfer hoger dan het geboortecijfer waardoor er een constante vraag naar slaven was.
Op Java was de situatie anders. Toen de VOC zich daar vestigde was het land verdeeld in een groot agrarisch binnenland met gesloten, naar eigen behoefte producerende dorpen die onder centraal gezag stonden van lokale vorsten die het monopolie hadden op de handel van het productie-overschot. Daarnaast waren er de handeldrijvende havenplaatsen waar veel Oosterse vreemdelingen woonden. Op Java kon de VOC veel makkelijker monopolies afdwingen dan op de Molukken. Ze wisten handig gebruik te maken van de twisten tussen de inheemse vorsten door één vorst te helpen tegen een andere, in ruil voor handelsvoordelen en monopolies.
Doordat de vorst zijn vrijheid inzake de handelspolitiek had prijs gegeven, was vanzelf een verhouding van afhankelijkheid ontstaan, die zich ontwikkelde tot ondergeschiktheid. Zo veranderde geleidelijk, aan het eind van de 17e eeuw vanuit Batavia, het overwicht over de kuststaatjes in territoriaal gezag. Dit ging samen met een gedeeltelijke verandering in de wijze waarop zij haar inkomsten verkreeg. Naast de traditionele handelswinsten kwamen de gedwongen leveringen (vorst moet verplicht een bepaald product aan de VOC leveren tegen een overeengekomen prijs) en contingenten (soort belasting in natura). Het verschil tussen de vrijhandel met de Javaanse vorsten en de gedwongen leveringen was niet zo groot. Het vond beide plaats onder de druk en bescherming van de kanonnen en geweren van de Compagnie. Door het monopolie werd de inheemse groothandel onderdrukt en toen de verplichte leveringen aan het eind van de 17e eeuw hun intrede hadden gedaan moest de desa, die dusverre alleen voor eigen gebruik en voor de hoofden had hoeven te produceren, voortaan ook voor de compagnie produceren. In ruil daarvoor zorgde de VOC voor vrede.
Elders op de archipel vormde de compagnie een minder geduchte macht. Op Noord-Sumatra sloot de Compagnie in 1641 peper contracten met Atjeh, Palembang en Jambi maar die waren niet zo dwingend als de hierboven beschreven contracten. Bovendien moest er met zilver worden betaald. Na 1680 ging de intra-Aziatische handel, die lange tijd zeer winstgevend was geweest, verlies op leveren. De handel binnen Azië had de compagnie altijd een groot deel van de middelen verschaft, het textiel, waarop haar Aziatische bedrijf de inkoop van de retourgoederen dreef. Nu moest steeds meer baar geld worden aangevoerd.
De territoriale uitbreiding en voortdurende oorlogen overzee, aan het eind van de 17e eeuw, deden de kosten voor de VOC in Azië hoog oplopen. Na 1686, met als uitzondering 1691/92, werd ieder jaar met verlies afgesloten. In de 18e eeuw ging het weer iets beter. In 1720 werd er nog 20% dividend uitgekeerd.
Na 1740 ging de Compagnie zich in Azië concentreren op de Indonesische archipel, waar op Java zelfs in zekere mate sprake was van rechtstreekse penetratie. Op de Noordoostkust van Java en in het gebied rond Batavia werden de koffiecultuur en de suikeraanplant uitgebreid. Ook was er sprake van militaire expansie: In 1743 werd Mataram voor de VOC verworven.
De Compagnie behield haar monopolie op de "geruime vier": nootmuskaat, foelie, kruidnagel en kaneel. Zij beheersten hiervan de productie en de prijs. Het eerste via het omzagen en weer aanplanten van bomen, het tweede via het hebben van het Monopolie. Wat vaak vergeten wordt is dat men zich ook bezig hield met papaverteelt ter verkrijging van opium. Opium was een legaal product waarnaar wereldwijd grote vraag was. De productiemethoden en de manier waarop de VOC het gebied beheerste, veranderden nauwelijks. Een schrijver over de Compagnie heeft ooit gezegd dat dit handelslichaam geen geschiedenis heeft. De bestuurders der VOC hebben hun hele bestaan op één en dezelfde manier gestreefd naar het bereiken van hun doel, het maken van handelswinst door angstvallig vast te houden aan hun monopolie. Na de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog volgt er een chaotische periode in de koloniën.

19e Eeuw
Rond 1825 werden er op Java grote opstanden onder leiding van de inheemse nationalistische leider Diponegoro door de Nederlanders bestreden. Na een zware strijd die aan beide kanten veel slachtoffers eiste, werd Diponegoro verslagen. Deze strijd wordt ook wel de Java-oorlog genoemd. Na deze oorlog kwam Java bijna geheel onder directe Nederlandse heerschappij te staan. Alleen de vorsten van Jogjakarta en Soerakarta bezaten nog enkele Javaanse gebiedsdelen. Op de andere eilanden, waar de opstanden gewoon door gingen, bezat Nederland wel een aantal gebieden en steden. In 1861 vond de toenmalige Nederlandse minister van Koloniën het welletjes. Nederland moest of weg gaan uit Indië of het geheel onder zijn heerschappij brengen. Ze waren niet alleen bang voor de inheemse bevolking, maar ook vreesden ze dat andere westerse landen hun koloniën wilden inpikken (wat vrij makkelijk was vanwege het zwakke Nederlandse bestuur). Het Knil (Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger) ging toen de andere eilanden in Indië geheel veroveren en ze zorgden er voor dat de Nederlanders de gebieden goed onder controle hadden. Zo werden Sumatra, Borneo en Celebes Nederlandse koloniën. Ook de gehele eilandenreeks van Bali tot en met West-Timor werd onder Nederlandse regering geplaatst. In de jaren 1898 tot 1904 werd, na verschillende vruchteloze pogingen vanaf 1873, één van de laatste gebiedsdelen Atjeh op Sumatra veroverd onder leiding van de Militair gouverneur van Atjeh, J.B. van Heutsz. Tot ongeveer 1909 werden nog militaire campagnes uitgevoerd.

20e Eeuw
Tijdens de Tweede Wereldoorlog gaven de Nederlandse strijdkrachten zich op 8 maart 1942 over en werd Nederlands-Indië door Japan bezet. De Nederlanders die nog in het land verbleven, werden in Japanse kampen geïnterneerd. Gedurende de bezetting ontwikkelde de nationalistische beweging zich sterk. Na de capitulatie van Japan riep Soekarno de Republik Indonesia uit. Deze republiek moest geheel Nederlands-Indië omvatten.
Na het einde van de oorlog in 1945 was Nederland niet meteen bij machte troepen naar Indonesië te sturen om haar gezag te herstellen. Men was afhankelijk van de Britse troepen, terwijl Groot-Brittannië niet zonder meer het herstel van het Nederlandse gezag op zich wilde nemen. De Amerikanen en Britten lieten de handhaving van het gezag in handen van de achtergebleven Japanse troepen. De Indonesische nationalisten, die aanvankelijk door de Japanse bezetters waren ondersteund maar later ook waren vervolgd, maakten van deze situatie gebruik hun eigen structuren op te bouwen. Zij kregen de controle over de grootste delen van Java (eiland) en Sumatra.




Japanse aanvallen op Nederlands Indië.


De Nederlandse regering had gedurende de oorlog beloftes gedaan over autonomie voor Indonesië. Een meer of mindere mate van onafhankelijkheid voor Indonesië was dus echter al snel aan de orde. Luitenant-gouverneur-generaal H.J. van Mook besloot tot opbouw van Indonesië volgens een federale structuur. Dit was geen volstrekt nieuw idee, maar vormde wel een breuk met de staatsvoering in Nederlands-Indië tot dan toe, en vormde een schril contrast met de denkbeelden van de nationalisten, die wilden dat geheel Nederlands-Indië tot een centralistisch bestuurd Indonesië zou gaan behoren. Het plan was, Indonesië op te delen in verschillende deelstaten negara's, die onder zich eventueel ook weer zelf besturende gebieden zouden kunnen hebben, de daerahs. Het geheel zou dan de Verenigde Staten van Indonesië heten en met Nederland verbonden zijn in de Nederlands-Indonesische Unie. Het zuiver symbolische hoofd van de Nederlands-Indonesische Unie zou de Koning der Nederlanden zijn. De door de nationalisten uitgeroepen Republik Indonesia zou dan een der negara's worden. Over dit plan werd met de Indonesiërs overeenstemming bereikt gedurende een conferentie te Linggadjati in november 1946. Via de federale structuur werd volgens mensen als Van Mook de culturele en etnische diversiteit van Indonesië erkend. Men verwees hierbij naar het zelfbeschikkingsbeginsel: de verschillende volkeren van Indonesië zouden zichzelf moeten kunnen besturen. De etnische diversiteit van Indonesië was onderwerp geweest van twee conferenties in Malino en Pangkalpinang.
Het idee Indië los te moeten laten was echter schokkend voor veel Nederlanders. Nederland had Indië altijd als een belangrijke raison d'être beschouwd. Gedurende het cultuurstelsel, waarbij de Nederlandse regering veel inkomsten uit Indië verwierf ten koste van de plaatselijke bevolking, kwam onder invloed van onder meer Multatuli de gedachte van het "schone streven" op: Nederland moest zijn "ereschuld" veroorzaakt door het cultuurstelsel aan Indië terug betalen door het land te ontwikkelen. Veel Nederlanders hadden zodoende messianistische gedachten bij Indië; het was de taak van Nederland dit land te ontwikkelen.
Nederlands-Indië was de Nederlandse kolonie bij uitstek. Natuurlijk was er ook West-Indië, Suriname en de Nederlandse Antillen, maar vanwege haar grootte, economisch belang en rijkdom aan verschillende volkeren en culturen nam Nederlands-Indië in het gedachtegoed van de Nederlanders wat het koloniën betreft de voornaamste plaats in. Nederland had sterk het idee dat Nederlands-Indië een modelkolonie was. Men aanvaardde wel het idee dat Nederlands-Indië ooit onafhankelijk zou worden, maar dit plaatste men in de verre toekomst. In de periode tussen de oorlogen werden dan ook geen vergaande hervormingen in het bestuur doorgevoerd; van enige ontwikkeling in de participatie van Indonesiërs in het bestuur was na 1918 geen sprake. Het onafhankelijkheidstreven van de Indonesiërs kwam dan ook voor de meeste Nederlanders als een volslagen verrassing.
Bovendien weigerde de Nederlandse opinie de leiders van de Republik Indonesia te erkennen als leiders van de Indonesische massa's. De Indonesische nationalisten onder Soekarno hadden meegewerkt met het Japanse bewind. Hierdoor brandmerkte men hen in Nederland als verraders en collaborateurs. De rol van de Britten en Amerikanen was vervolgens zeer kwetsend voor de Nederlanders. De Britten hadden geweigerd hun legermacht in dienst van Nederland te stellen. Voorts hadden zij door de Republikeinen in de ordehandhaving op Java en Sumatra te betrekken in de ogen van Nederland bijgedragen aan de erkenning van het republikeins gezag. De Amerikanen vervolgens drongen bij Nederland aan op een oplossing van het conflict en schaarden zich vanuit hun anti-kolonialisme niet zonder meer langs de Nederlandse "legalistische" lijn, die uitging van verdragen en wetten.
Nederland verzette zich tegen de Indonesische onafhankelijkheid, en stuurde militairen om de opstand neer te slaan, de 'politionele acties'. Nederland slaagde er echter niet in de Indonesiërs te verslaan, en mede vanwege internationale druk van vooral de Verenigde Staten, accepteerde Nederland op 27 december 1949 de Indonesische onafhankelijkheid. Alleen de westelijke helft van Nieuw-Guinea bleef nog tot 1962 Nederlands.

  Zie ook Eerste Divisie 7 December 





Nederlands-Indië in 1893


Op de Indische Nederlanders werd grote druk uitgeoefend om te kiezen voor het Indonesisch staatburgerschap. Velen kregen in de jaren vijftig spijt van hun keuze, vooral toen de betrekkingen tussen Nederland en Indonesië verslechterden, en opteerden alsnog voor het Nederlanderschap. Zij werden spijtoptanten genoemd.
De Nederlandse aanwezigheid in Indonesië, met uitzondering van Nieuw-Guinea, kwam pas echt ten einde in december 1957, toen vanwege het conflict tussen Nederland en Indonesië over Nieuw-Guinea Nederlanders werden gedwongen uit Indonesië te vertrekken en Nederlandse bedrijven werden genationaliseerd.

Lijst van Gouverneurs-Generaal van Nederlands-Indië in de twintigste eeuw

W. Rooseboom (1899-1904)
J.B. van Heutsz (1904-1909)
A.W.F. Idenburg (1909-1916)
J.P. graaf van Limburg Stirum (1916-1921)
D. Fock (1921-1926)
jhr. A.C.D. de Graeff (1926-1931)
jhr. B.C. de Jonge (1931-1936)
jhr. A.W.L. Tjarda van Starkenborgh Stachouwer (1936-1942)
H.J. van Mook (formeel 1942-1948), (luitenant-gouverneur-generaal 1945-1946)


Voor de gehele lijst zie: Gouverneurs-Generaal van Nederlands-Indië.


Literatuur

Het Rijk van Insulinde. Opkomst en ondergang van een Nederlandse kolonie, door Wim van den Doel, 1e druk 1996, Uitgeverij Prometheus te Amsterdam, ISBN 9053333746
H.W. van den Doel, 2000, Afscheid van Indië. De val van het Nederlandse imperium in Azië, Prometheus Amsterdam (2e en 3e herziene druk: 2001), ISBN 90-446-0044-3 geb, ISBN 90-446-0043-5 pbk
De waaier van het fortuin. Van handelscompagnie tot koloniaal imperium. De Nederlanders in Azië en de Indonesische Archipel 1595-1950. J.J.P. de Jong. SDU Uitgevers, Den Haag: 1998. ISBN 9012086434

Deze domeinnaam kopen of huren? geef hier uw bod